Spinnenweb feiten

Spinsel

Spinrag is sterker dan de beste synthetische materialen die de mens kan maken bij dezelfde dikte. Het is echter niet stijf, zodat bijvoorbeeld gebruik in kogelwerende vesten niet mogelijk is. De kogel komt niet langs het vest maar gaat met vest en al het lichaam in. Het web van een kruisspin weegt slechts ongeveer 0,1 tot 0,5 mg. Elke spin kan spinsel produceren, dit gebeurt met de spintepels aan het achterlijf. Hoewel elke soort spinsel produceert maakt niet elke soort hiermee een web. Spinnen gebruiken hun spinsel bovendien voor de volgende doeleinden:

  • Het vangen van prooien door ze vast te kleven (meerdere methodes)
  • Het inpakken van een prooi voor consumptie
  • Het voorzien van de woontunnel van een laagje spinsel
  • Het verankeren van het lichaam bij het lopen of springen
  • Het zich verspreiden als jonge spin door weg te zweven
  • Het verpakken van het sperma in een pakketje en het maken van een omhulsel (cocon) voor de eieren

Vastkleven van prooien

Van alle soorten die hun prooi vangen met behulp van spinsel, maakt het overgrote deel een spinnenweb, maar er zijn ook hier weer uitzonderingen. Voorbeelden van soorten die wel een spindraad produceren om een prooi te vangen maar geen web maken zijn de soorten uit de geslachten Mastophora en de familie lijmspuiters.

De Mastophora– soorten maken een enkele dunne draad waarvan het uiteinde wordt voorzien van een kleverige druppel. Deze druppel bevat geurstoffen van vrouwelijke motten die de mannetjes aanlokken. De spin laat deze draad omlaag zakken en als er een mot aankomt, wordt de draad met de druppel als een bola heen en weer bewogen tot deze de mot raakt en de spin zijn draad -met prooi- weer omhoog tilt.

De spinnen die behoren tot de lijmspuiters (familie Scytodidae) gaan nog verder; zij spuiten het spinsel als een kleverige dubbele draad direct op de prooi om deze te fixeren. Tijdens het spuiten worden de cheliceren heen- en weer bewogen om zo een zigzagdraad te verkrijgen wat het effectieve oppervlak vergroot. Een vertegenwoordiger van deze familie, de getijgerde lijmspuiter (Scytodes thoracica), komt vrij algemeen voor in België en Nederland. Lijmspuiters spuiten niet alleen spinsel, maar tevens wordt de prooi beschoten met gif zodat deze verlamd raakt.

Het spinnenweb

Vele maar zeker niet alle spinnen maken bij hun jacht gebruik van een web. Veel spinnen vertonen een sterke specialisatie op een bepaalde prooigroep of manier van jagen. De webben die spinnen gebruiken zijn in te delen in vier typen:

  • Ronde webben die loodrecht tussen planten gespannen worden, zoals bijvoorbeeld het web van de kruisspin (Araneus diadematus). Met dergelijke webben worden vliegende insecten gevangen.
  • Onregelmatige webben, deze worden over de bodem of horizontaal op planten gespannen om kruipende insecten te vangen, zoals bijvoorbeeld het web van de grijze huisspin (Tegenaria domestica).
  • Trechtervormige webben, deze zijn duidelijk kegelvormig waarbij de spin in de kleine opening zit te wachten op langslopende prooien. Veel trechterspinnen maken een dergelijk web.
  • Tunnelvormige webben, deze worden gebruikt door ondergronds levende spinnen. Het spinsel wordt gebruikt om het hol te bekleden, vaak wordt het tunneltje afgesloten door een passend deurtje zoals bij de valdeurspinnen.

Sommige spinnen kunnen extreme webben maken, de soorten die tot het geslacht Nephila bijvoorbeeld kunnen een web spinnen dat sterk genoeg is om vleermuizen en vogels te vangen. Ook grote insecten die door andere webben heen kunnen vliegen, zoals libellen, zijn geen probleem voor dergelijke soorten. Het web is zo sterk dat het door de lokale bevolking als visnet wordt gebruikt. Er zijn ook spinnen bekend die heel grote webben maken, zoals de soort Caerostris darwini uit Madagaskar. In 2010 werd een web aangetroffen met een oppervlakte van bijna 3 vierkante meter dat boven het water was gespannen. Er zijn spinnen die een klein web maken maar deze niet ophangen maar met de poten vasthouden. Ze houden zich op boven de bodem en als er een prooidier onder de spin doorloopt wordt het web naar beneden geschoten.

Inpakken van prooien

Veel spinnen vangen niet alleen een prooi met een web, maar pakken deze direct in met spinsel zodat de prooi niet meer kan ontsnappen. De draden die hiervoor worden gebruikt, zijn niet kleverig, anders zou de spin eraan vast blijven plakken.

Sommige insecten hebben aanpassingen om uit het web van een spin te ontsnappen. De vleugels van gaasvliegen bijvoorbeeld zijn bedekt met fijne haartjes die aan het web blijven kleven en loslaten zodat het vleugeloppervlak zelf niet vastplakt. De gaasvlieg bevrijdt zich vervolgens uit het web door de draden door te knagen.

Woontunnel

De valdeurspinnen en veel vogelspinnen maken een woonweb, dat meestal niet als vangweb wordt gebruikt. De tunnelgravende soorten bekleden de gehele tunnel met spinsel. Als ze moeten vervellen of eitjes dragen waarbij de spin kwetsbaarder is, wordt de tunnel voorzien van een aantal ‘wanden’ gemaakt van spinsel. Deze soorten gebruiken het dus om zich te beschermen.

Sommige in woontunnels levende spinnen maken een zak aan de onderzijde van de tunnel waaronder ze zich kunnen verbergen mocht er een vijand in de tunnel geraken. De spin kan zich zo afschermen door een laag spinsel.

Verankering

Een aantal groepen van spinnen maakt helemaal geen gebruik van spinsel om hun prooi te vangen, en ook niet om zich te verbergen. Voorbeelden zijn springspinnen en krabspinnen. De springspinnen hebben een zeer goed zichtvermogen en bespringen hun prooi, krabspinnen zijn vaak goed gecamoufleerd en liggen in een hinderlaag te wachten. Beide groepen gebruiken het spinsel overigens wel om zich aan de ondergrond te ankeren. Het verankeren van het lichaam aan de ondergrond komt veel voor bij de spinnen. Als een spin wordt verstoord laat deze zich vaak aan deze ‘veiligheidsdraad’ naar beneden zakken.

De meeste spinnen, ook de webmakende soorten, plakken bij het lopen een spindraad op de ondergrond zodat zij steeds verzekerd zijn van een veiligheidsdraad. deze draad is veel dunner dan de draden waarmee een web wordt gemaakt.

Verplaatsing

Een belangrijke oorzaak voor het voorkomen van spinnen op de meest geïsoleerde plaatsen is het vermogen om te kunnen zweven. Spinnen hebben geen vleugels en kunnen zelf niet vliegen maar kunnen zich wel aan een spindraad laten wegzweven met de wind en zo grote afstanden afleggen. Hierdoor zijn spinnen op een hoogte van enkele kilometers aangetroffen. Vooral bij jonge of kleine spinnen is dit gedrag bekend, grotere spinnen zijn hier al snel te zwaar voor.

Van sommige soorten is beschreven dat ze zich zelfs als volwassen spin kunnen verplaatsen door de lucht. Een voorbeeld zijn een aantal hangmatspinnen die zich over grote afstanden en kilometers hoog door de lucht laten zweven door het spinrag als vlieger te gebruiken.

Cocon

Vrijwel alle spinnen zetten hun eieren af in een gesponnen cocon of eierzak.

De soorten die geen cocon maken wikkelen het spinsel vaak losjes om de eieren om ze bij elkaar te houden. Een voorbeeld is de grote trilspin, waarvan het vrouwtje haar eitjes regelmatig tussen haar cheliceren klemt en er zo mee rondloopt. De meeste spinnen echter besteden veel tijd aan het verbergen van de eieren en spinnen maken de meest uiteenlopende cocons. De variatie is zeer groot, aan de hand van de vorm en grootte van de cocon kan vaak de groep van bijbehorende spinnen worden toegewezen. De cocons van soorten die sterk aan elkaar verwant zijn lijken op elkaar en zijn moeilijker te determineren.

Het spinsel dat voor de cocon wordt gebruikt is meestal wit tot geel.

Spermaweb

Mannetjesspinnen maken voornamelijk gebruik van hun spinsel om een spermaweb te maken. Spinnen kennen geen directe bevruchting, de mannetjes brengen het sperma eerst in hun palpen en hiermee wordt dan het vrouwtje bevrucht.

Voordat het mannetje zijn palp vult, wordt eerst een zogenaamd spermaweb gesponnen. Dit is een soort ‘vloerkleed’ waarop een druppel sperma wordt afgezet. Veel andere spinachtigen, zoals schorpioenen een zweepspinnen, wikkelen het sperma vervolgens in het webje waardoor een zaadpakketje ontstaat. Spinnen doen dit echter niet maar zuigen de druppel op in de bulbus. Een mannetje met een ‘geladen’ bulbus gaat vervolgens op zoek naar een vrouwtje. Het spermaweb wordt door een aantal soorten direct weer opgegeten.

 

Bron: Wikipedia